Nieuwsflits | 23/06/2018

 Fiscale aspecten van cryptovaluta

Het minen en handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon is volgens Staatssecretaris Snel van Financiën in de regel niet aan te merken als een bron van inkomen maar als een speculatieve transactie. Dit is slechts anders indien de feiten en omstandigheden uitwijzen dat aan de bronvereisten wordt voldaan (het voordeel dient (subjecief) te zijn beoogd en naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs (objectief) te worden verwacht. Dit alles ter beoordeling (en ter bewijs) van de inspecteur.

Verder schrijft Snel dat voor de waarde van cryptovaluta in box 3 moet worden aangesloten bij de geldende koers op peildatum. De koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatfom is de meest voor de hand liggende koers.

Loon uitbetaald in cryptovaluta wordt behandeld als loon in natura. Dit loon moet worden omgerekend in euro’s op het moment dat het loon wordt genoten. Vergoeding in cryptovaluta voor verkochte goederen moet eveneens worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Dit geldt zowel voor de winstbepaling als voor de omzetbelasting.

Brief Staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2018, nr. 2018-0000082316

Naar aanleiding van de brief van 8 maart 2018 met een eerste appreciatie van de ontwikkelingen rondomcryptovaluta van de Minister van Financiën[1]  heeft u in de brief van 29 maart 2018 aanvullende vragen gesteld. U heeft verzocht nader in te gaan op de fiscale aspecten van cryptovaluta. Met deze brief kom ik aan dit verzoek tegemoet en zal ik nader ingaan op welke wijze de cryptovaluta in diverse situaties in fiscale zin wordt behandeld.

Zoals door de Minister van Financiën in zijn brief aangegeven vervullen cryptovaluta niet of nauwelijks de reguliere functie van geld als een algemeen geaccepteerd betrouwbaar betaalmiddel, oppotmiddel en rekeneenheid.

In deze brief is de huidige stand van zaken weergegeven. De ontwikkelingen omtrent cryptovaluta gaan echter snel. Dit kan betekenen dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta in de toekomst aan veranderingen onderhevig kunnen zijn.

1. Fiscale aspecten van cryptovaluta
Hierna zal ik eerst ingaan op het zogenoemde minen en het handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon. Daarna komt de behandeling van cryptovaluta als vermogensbestanddeel in box 3 aan de orde. Vervolgens zal ik ingaan op fiscale gevolgen als een ib-ondernemer of een bv goederen verkoopt of diensten verleent waarbij de tegenprestatie in cryptovaluta wordt voldaan en op loonbetaling in cryptovaluta. Verder komt het leerstuk van de vermogensetikettering bij de ib-ondernemer aan bod. Vervolgens zal ik aandacht besteden aan het minen en het handelen in cryptovaluta door een bv en tenslotte ga ik in op de handhaving.

1.1. Het minen van en het handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon

Voor het antwoord op de vraag hoe de Belastingdienst omgaat met het zogenoemde “minen” en handelen in cryptovaluta is het van belang of ten aanzien van die activiteiten in fiscale zin al dan niet sprake is van een “bron van inkomen”.

Voorbeelden van een bron van inkomen zijn winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Voor die bronnen van inkomen is naast het verrichten van arbeid van belang dat er een voordeel wordt beoogd (subjectief element) en dat er redelijkerwijs voordeel is te verwachten (objectief element). Deze bronvraag laat zich niet eenduidig beantwoorden en is sterk afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Mede als gevolg van een toename van het aantal personen dat zich bezig houdt met mining en de regulering van het aantal te minen cryptovaluta per dag (een beperkte hoeveelheid kan gemined worden), is het de vraag of sprake is van een voordeelsverwachting. Daarbij kan ook de omvang van de investering (in computers) een rol spelen. Daarnaast kan de fase waarin men instapt met het minen van cryptovaluta (beginfase of een reeds langer bestaande cryptovaluta) een licht werpen op de voordeelsverwachting.

In de jurisprudentie is uitgemaakt dat geen sprake is van een bron van inkomen in geval van een speculatieve transactie en als het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als daarentegen structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van belanghebbende die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. De meeropbrengst moet dus verband houden met de verrichte arbeid (in kwalitatieve of kwantitatieve zin).

In het concrete geval zal aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een bron van inkomen. Dat laatste is ter beoordeling van de inspecteur. In zijn algemeenheid zal – met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval – gelet op het voorgaande bij het minen en de handel in cryptovaluta door een natuurlijk persoon vermoedelijk niet snel sprake zijn van een bron van inkomen.

1.2. Bezittingen in box 3

Cryptovaluta, waaronder de bitcoin, in het bezit van een natuurlijk persoon behoren tot de vermogensrendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, bijvoorbeeld winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. De cryptovaluta moeten naar de waarde in het economisch verkeer op de peildatum van een kalenderjaar worden vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. Dat wil zeggen dat aangesloten dient te worden bij de geldende koers op peildatum.

Er zijn verschillende koersen voor cryptovaluta. Nu er geen wettelijk voorschrift bestaat met betrekking tot de vraag welke koers gehanteerd dient te worden, is de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform de meest voor de hand liggende koers.

Burgers zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste en volledige aangifte. Indien burgers vermogen hebben in cryptovaluta zullen ze dit, evenals andere vermogensbestanddelen, moeten opgeven in hun aangifte inkomstenbelasting2. In die zin zijn cryptovaluta niet anders.

1.3. Door een ib-ondernemer of bv ontvangen tegenprestatie in cryptovaluta

Een ander aspect betreft de vraag wat de fiscale gevolgen zijn als een ondernemer goederen verkoopt of diensten verleent waarbij de tegenprestatie in cryptovaluta wordt voldaan. Als de vergoeding niet in euro’s maar in cryptovaluta wordt voldaan, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Dat omgerekende bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend. Dat geldt zowel voor de winstbepaling (de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting) als voor de omzetbelasting. Als de cryptovaluta worden omgewisseld in euro’s kan die omwisseltransactie voor de winstbepaling een verlies of een winst opleveren. Als de cryptovaluta per balansdatum aanwezig zijn, geschiedt de waardering volgens goed koopmansgebruik. Cryptovaluta kwalificeren niet als liquide middelen, maar zullen veelal wel als vlottende activa kunnen worden aangemerkt. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van voorraad. In beide situaties (vlottende activa dan wel voorraad) is de hoofdregel waardering op kostprijs of lagere marktwaarde.

1.4. Loonbetaling in cryptovaluta

Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet in de aangiften loonbelasting een omrekening in euro’s plaatsvinden op het moment dat het loon wordt genoten. Loon uitbetaald in cryptovaluta wordt behandeld als loon in natura.

1.5. Aankoop van cryptovaluta door natuurlijk persoon die ib-ondernemer is

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als ib-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

1.6. Het minen en de aankoop van cryptovaluta door een bv

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een bv een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een ib-ondernemer speelt bij een bv het leerstuk van de vermogensetikettering dus geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen.

1.7. Handhaving

In verband met de toenemende aandacht voor dit thema wordt er vanuit de Belastingdienst gewerkt aan verkennende onderzoeken, om meer zicht te krijgen op dit fenomeen en op mogelijke problematiek die daarbij kan spelen. Tevens wordt er in internationaal verband gekeken naar de wijze waarop handhaving effectief kan worden vormgegeven. In de onderzoeken wordt ook gekeken naar transacties in cryptovaluta die in de schaduwkant van de economie plaatsvinden. Dat geldt ook voor het mogelijke bezit ervan. Een belangrijke ontwikkeling in dit verband is de nieuwe 5e EU antiwitwasrichtlijn3, waarin identificatieverplichtingen, alsmede andere regels staan opgenomen voor handelsplatformen en andere aanbieders van cryptovaluta.

Ten aanzien van de fiscaliteit merk ik tot slot op dat er wordt gewerkt aan nader voorlichtingsmateriaal. Zodra dit gereed is, zal dat op de website van de Belastingdienst worden geplaatst.

Nieuwsflits | 19/09/2017

WBSO wordt in 2018 waarschijnlijk verlaagd!

 
De verwachting is dat de populaire subsidie WBSO in 2018 wordt verlaagd. Dit volgt uit een brief van minister Kamp (EZ) aan de Tweede Kamer. Het percentage van de tweede schijf zakt als het aan EZ ligt naar 14% (nu 16%), en van de eerste schijf naar 31% (nu 32%). Een van de redenen hiervan zijn de jaarlijks stijgende kosten van de WBSO. Kamp gaat in de brief in op de WBSO in 2018. Ook maakt hij het definitieve gebruik van de WBSO in 2016 bekend.

 

Toenemende kosten WBSO: gat van € 79 miljoen

De kosten van de WBSO nemen jaarlijks toe, door stijgende R&D-lonen en R&D niet-loonkosten, maar ook doordat de totale hoeveelheid van in Nederland uitgevoerde R&D groter wordt. Door de jaarlijkse kostenstijging van de WBSO zou de regeling in 2018 bij continuering van de huidige voorwaarden € 1242 miljoen kosten, € 37 miljoen meer dan de € 1205 miljoen die nu op de begroting is geraamd.

Daarnaast is het WBSO-budget in 2016 met € 65 miljoen overschreden (zie verderop in dit bericht), wat moet worden gecompenseerd in 2018. Daartegenover staat wel € 23 miljoen aan onderuitputting van de RDA uit 2014, wat weer aan het WBSO-budget 2018 wordt toegevoegd. Al met al leidt dit tot een incidentele correctie van het WBSO-budget 2018 met € 42 miljoen. Het beschikbare budget in 2018 is na deze correctie € 1163 miljoen, terwijl de regeling naar verwachting dus € 1242 miljoen gaat kosten in 2018. Kortom: een gat van € 79 miljoen.

WBSO aanpassen om gat te dichten

Om dit gat te dichten – en zo de WBSO aan te passen aan het beschikbare budget – wil Kamp de zogeheten parameters van de WBSO aanpassen. Uitgaande van de huidige inzichten betekent dit naar verwachting een daling van het tarief van de tweede schijf van 16% naar 14% en een daling van de eerste schijf van 32% naar 31%. Ook andere ingrepen zijn echter mogelijk, zo laat de minister weten. Het kabinet zal in november de parameters voor de WBSO 2018 definitief vaststellen en de Tweede Kamer hierover informeren.

Gebruik van de WBSO in 2016

Kamp heeft al diverse malen voorlopige prognoses met betrekking tot het gebruik van de WBSO in 2016 bekendgemaakt. Inmiddels zijn de definitieve cijfers bekend. Hieruit blijkt dat de verdeling van het budget tussen midden- en kleinbedrijf (mkb) en grootbedrijf na de integratie van de WBSO en de RDA gelijk is gebleven en dat in 2016 64% van het budget naar het mkb is gegaan. Dit is relatief veel omdat het mkb verantwoordelijk is voor slechts 41% van de in Nederland uitgevoerde R&D, aldus Kamp. In 2016 hebben in totaal 22.330 bedrijven WBSO toegekend gekregen (een lichte daling ten opzichte van 2015), waarvan ruim 97% mkb.

Daling aantal gebruikers

De daling in het aantal gebruikers laat zich volgens de minister deels verklaren doordat de definitie van R&D in de WBSO per 2016 is ingeperkt. De WBSO is sindsdien sterker gericht op activiteiten die de kern van R&D vormen: technisch-wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van technisch nieuwe producten, productieprocessen en programmatuur. Het uitvoeren van een analyse van de technische haalbaarheid en procesgericht technisch onderzoek komen niet meer in aanmerking.

Hogere budgetuitputting

De budgetuitputting van de WBSO in 2016 is in totaal 5% hoger dan eind 2015 geraamd en komt op € 1208 miljoen. Daarmee is er sprake van een overschrijding van het budget met de al eerdergenoemde € 65 miljoen. Deze hogere uitputting komt met name omdat de R&D van bedrijven (aantal R&D-arbeidsjaren) sterker is gestegen dan vooraf voorzien en doordat bedrijven de WBSO-ondersteuning voor de R&D niet-loonkosten (voorheen RDA) beter konden verzilveren dan in voorgaande jaren en daarmee meer gebruik maakten van fiscale ondersteuning van R&D niet-loonkosten (de toegekende R&D niet-loonkosten stegen in 2016 met 7%).

Nieuwsflits | 28/06/2017

Feitelijke leiding in Nederland / gebruikelijk loon voor directeur Britse Ltd. is van toepassing

Hof Amsterdam 04-08-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3277

Instantie: Hof Amsterdam

Datum: 4 augustus 2016

Zaaknummer: 15/00618

Vakgebied(en): Loonbelasting / Loon, Loonbelasting / Inhoudingsplichtige

Brondocumenten: ECLI:NL:GHAMS:2016:3277, Uitspraak, Hof Amsterdam, 04‑08‑2016;

Wetingang: art. 6 en 12a Wet LB 1964

Samenvatting

Hof Amsterdam oordeelt dat X Ltd. in Nederland is gevestigd. Aangezien A een aanmerkelijk belang in X Ltd. heeft, en arbeid voor deze vennootschap verricht, heeft de inspecteur terecht een gebruikelijk loon in aanmerking genomen.

C drijft tot 2003 een belastingadviespraktijk. In verband met een conflict met de verhuurder van zijn bedrijfspand, raakt C verwikkeld in allerlei procedures. Uiteindelijk blijft hij met een schuld van circa € 450.000 zitten. Medio 2003 wordt belanghebbende, X Ltd., opgericht. De aandelen zijn in handen van Z Trust. X Ltd. is beherend vennoot van B cv, een in Nederland gevestigde open cv. B cv drijft een onderneming in Nederland. De onderneming verricht fiscaal-juridische diensten. A, de echtgenote van C, is directeur en gevolmachtigde van X Ltd. De activiteiten van B cv worden uitgevoerd door C. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een LB-naheffingsaanslag op aan X Ltd. in verband met een gebruikelijk loon van A. Volgens de inspecteur moet X Ltd. namelijk als inhoudingsplichtige worden aangemerkt.

Hof Amsterdam oordeelt dat X Ltd. in Nederland is gevestigd. Volgens het hof geeft A namelijk feitelijk leiding aan X Ltd., en nu A in Nederland woont, bevindt de feitelijke leiding van X Ltd. zich ook in Nederland. X Ltd. is dan ook inhoudingsplichtig. Het hof overweegt hierbij dat A directeur is van X Ltd., en dat zij ook daadwerkelijk bestuurshandelingen heeft verricht. Ook acht het hof van belang dat niet is gebleken dat iemand anders daadwerkelijk leiding heeft gegeven aan X Ltd. Vervolgens stelt het hof vast dat A een aanmerkelijk belang in X Ltd. heeft en dat zij arbeid voor deze vennootschap heeft verricht. De inspecteur heeft volgens het hof dan ook terecht een fictief loon van € 40.000 in aanmerking genomen. Het hof overweegt daarbij dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat A via Z het volledige aandelenbelang in X Ltd. houdt.

Belanghebbende in cassatie.

Arrest Hoge Raad, 23-06-2017 / 16/04506

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1140, ECLI:NL:GHAMS:2016:3277

 

 

Newsflash | 03/03/2017

Member States may not refuse VAT zero-rating for intra-Community supplies in bonafide cases

CJEU 09-02-2017 Euro Tyre C-21/16

On 9 February 2017 the Court of Justice of the European Union (CJEU) delivered its judgement in the case Euro Tyre (II)  against the Tax Inspectorate of Portugal. The dispute concerns the question whether EU law precludes Portugal from setting formal conditions for the exemptions of an intra-Community supply of goods.

Summary

13      Euro Tyre is a Portuguese branch of a company incorporated under Netherlands law, Euro Tyre BV. It is engaged in the import, export and marketing of tyres of various brands for retailers based in Portugal and Spain. In the Spanish market, it sells, in part, directly and, in part, through a distributor, namely Euro Tyre Distribución de Neumáticos SL.

14      The dispute in the main proceedings concerns several sales made during the period between 2010 and 2012 to Euro Tyre Distribución de Neumáticos. At the time of those sales, the latter was registered as a taxable person for the purposes of VAT in Spain. However, it was not yet subject, in that Member State, to the system of taxation on intra-Community acquisitions or registered in the VAT Information Exchange System (the ‘VIES system’). It was not until 19 March 2013 that the Spanish tax authorities granted it the status of intra-Community operator and registered it in that system with effect from 1 July 2012.

15      Euro Tyre declared those sales to be intra-Community supplies and thus exempt under Article 14(a) of the RITI.

16      Following a tax inspection covering the years 2010 to 2012, however, the Inspeção Tributária (Tax Inspectorate, Portugal) considered that the conditions for the exemption provided for in Article 14(a) of the RITI were not met, since, at the time of the sales in question, Euro Tyre Distribución de Neumáticos, was neither registered for intra-Community transactions in Spain nor registered in the VIES system.

17      Consequently, the Tax and Customs Authority made adjustments to the VAT due from Euro Tyre for the years 2010 to 2012 together with interest for late payment.

Main considerations

22      By its questions, which should be considered together, the referring court asks, in essence, whether Article 131 and Article 138(1) of the VAT Directive must be interpreted as precluding the tax authority of a Member State refusing to exempt intra-Community supplies from VAT on the ground that, at the time of that supply, the purchaser, domiciled in the territory of the Member State of destination and who was in possession of a valid identification number for the purposes of VAT in that Member State, is neither registered in the VIES system nor comes under a system of taxation on intra-Community acquisitions of goods. The referring court also asks whether Article 138(1) of the VAT Directive, interpreted in the light of the principle of proportionality, precludes such refusal where the vendor was aware of the circumstances of the situation of the purchaser with regard to the application of VAT and was convinced that subsequently the purchaser would be registered as an intra-Community operator with retroactive effect.

24      Under Article 138(1) of the VAT Directive, Member States are to exempt supplies of goods dispatched or transported to a destination outside their respective territories but within the European Union, by or on behalf of the vendor or the person acquiring the goods, for another taxable person, or for a non-taxable legal person acting as such in a Member State other than that in which dispatch or transport of the goods began.

29      Neither Article 138(1) of the VAT Directive nor the Court’s case-law, however, mentions — as one of the substantive conditions, listed exhaustively, for an intra-Community supply — the obligation for the purchaser to have a VAT identification number (see, to that effect, judgment of 6 September 2012, Mecsek-Gabona, C‑273/11, EU:C:2012:547, paragraph 59) nor, a fortiori, the obligation for the purchaser to be registered for the purpose of carrying out intra-Community transactions and to be registered in the VIES system.

32      Accordingly, neither the acquisition by the purchaser of a VAT identification number valid for the purpose of carrying out intra-Community transactions nor the inclusion of that number in the VIES system constitute substantive conditions for exemption from VAT of an intra-Community supply. Those are merely formal requirements which cannot undermine the vendor’s entitlement to exemption from VAT where the substantive conditions for an intra-Community supply are satisfied (see, by analogy, judgments of 6 September 2012, Mecsek-Gabona, C‑273/11, EU:C:2012:547, paragraph 60; of 27 September 2012, VSTR, C‑587/10, EU:C:2012:592, paragraph 51, and of 20 October 2016, Plöckl, C‑24/15, EU:C:2016:791, paragraph 40).

38      It must be noted that, according to Court’s case-law, however, there are only two situations in which the failure to meet a formal requirement may result in the loss of entitlement to an exemption from VAT (see, to that effect, judgment of 20 October 2016, Plöckl, C‑24/15, EU:C:2016:791, paragraph 43).

39      In the first place, the principle of fiscal neutrality cannot be invoked for the purposes of an exemption from VAT by a taxable person who has intentionally participated in tax evasion which has jeopardised the operation of the common system of VAT (see judgment of 20 October 2016, Plöckl, C‑24/15, EU:C:2016:791, paragraph 44 and the case-law cited).

41      In the present case, the sole fact, referred to by the referring court, that the vendor, on the one hand, was aware of the fact that at the time of the transactions the purchaser was neither registered in the VIES system nor comes under a system of taxation on intra-Community acquisitions and, on the other hand, believed that the purchaser would subsequently be registered as an intra-Community operator with retroactive effect, cannot be grounds for the national tax authority to refuse to grant an exemption from VAT. It is clear from the documents submitted by the referring court and noted in paragraph 20 above that there was neither tax evasion nor tax avoidance on the part of Euro Tyre.

42      In the second place, non-compliance with a formal requirement may lead to the refusal of an exemption from VAT if that non-compliance would effectively prevent the production of conclusive evidence that the substantive requirements have been satisfied (see judgment of 20 October 2016, Plöckl, C‑24/15, EU:C:2016:791, paragraph 46 and cited case-law).

43      In the present case, as is apparent in essence from paragraph 26 above, the questions referred are based on the premiss that the material conditions for an intra-Community supply within the meaning of Article 138(1) of the VAT Directive have been fulfilled. Moreover, nothing in the file submitted to the Court indicates that the infringement of the formal requirement at issue in the main proceedings prevented the conclusion being reached that those conditions were indeed fulfilled. It is, however, for the referring court to carry out the necessary verifications in that regard.

Judgment

44      In the light of the foregoing considerations, the answer to the questions referred must be that Article 131 and Article 138(1) of the VAT Directive must be interpreted as precluding the tax authority of a Member State from refusing to exempt an intra-Community supply from value added tax on the sole ground that, at the time of that supply, the purchaser domiciled in the territory of the Member State of destination and who was in possession of a valid identification number for the purposes of VAT in that Member State is neither registered in the VIES system nor comes under a system of taxation on intra-Community acquisitions of goods, where there is no sound evidence pointing to the existence of fraud and it is established that the basic conditions of the exemption are fulfilled. In that case, Article 138(1) of the VAT Directive, interpreted in the light of the principle of proportionality, also precludes such refusal where the vendor was aware of the circumstances of the situation of the purchaser with regard to the application of VAT and was convinced that subsequently the purchaser would be registered as an intra-Community operator with retroactive effect.

C-21/16

Comments

Member States may not refuse to exempt intra-Community supplies from VAT in bonafide cases. Zero-rating for intra-Community supplies for value added tax is available whenever the following material tests are met:-

  • There is a supply of goods;
  • To a taxpayer (or a non-taxable legal person acting as a taxpayer) in a Member State other than that in which dispatch or transport of the goods began;
  • the goods are transported or dispatched within the EU.

The CJEU repeats these simple condtions under paragraph 24.

In the Netherlands article 12(2)(a)(1) of the Dutch Implementation Decree of the VAT Act 1968 requires a Dutch taxpayer to have the VAT identification number of the person who receives the goods as a condition for zero-rating. This seems to be a dead letter now based on this CJEU jdgement.

There may still be dark clouds ahead with the recent initiatives from the ECOFIN Council of 7 October 2016, (12764/16) to make a VAT-identification number a condition for zero-rating on intra-Community supplies due to the so-called VAT carousel evasion. So, taxpayers as long as you are bonafide you should benefit from zero-rating for intra-community supplies. Be careful however because the invoices and the tax reporting requirements (e.g. listing) should still comply with certain formalities.

 Date judgement: 07-02-2017
Source: Court of Justice of the EU, C-021/16, ECLI:EU:C:2017:106